La forma passiva


Voorbeelden:
1 Lucio Dalla canta la canzone "Caruso".
La canzone "Caruso" è cantata da Lucio Dalla.
2 Giulio ha fatto la spesa.
La spesa è stata fatta da Giulio.
3 Loro manderanno l'invito a tutti i colleghi.
L'invito verrà mandato da loro a tutti i colleghi.
4 Alessandro mi aveva prestato i libri per preparare l'esame.
I libri per preparare l'esame mi erano stati prestati da Alessandro.
5 Una volta tanti personaggi famosi frequentavano il caffè Florian.
Una volta il caffè Florian era frequentato da tanti personaggi famosi.

De "forma passiva" geeft een handeling weer, waarbij het onderwerp van de actieve zin de handeling ondergaat. Zij wordt over het algemeen gevormd door het "ausiliare" "essere" (maar in enkelvoudige tijden ook door het werkwoord "venire") en het "participio passato" van een "verbo transitivo". Het werkwoord "essere" in de passieve zin wordt in dezelfde tijd en op dezelfde wijze vervoegd als het werkwoord in de actieve zin.

Het "participio passato" stemt in geslacht en getal overeen met het onderwerp van de lijdende zin.

Kijk bij "La forma passiva nei tempi semplici" of bij "La forma passiva nei tempi composti" voor meer informatie.

Voor het gebruik van de "forma passiva" bij de werkwoorden "potere", "dovere" en "volere" kun je kijken bij "la forma passiva e i verbi modali"; voor het gebruik van de "forma passiva" in de vraagzin bij "la forma passiva nelle domande".