| Voorbeelden: | |||
| AVERE | ESSERE | ||
| 1 | Maria ha studiato l'italiano. | 2 | Quanto sono costati questi bellissimi fiori? |
| 3 | Aveva letto quel libro anni fa. | 4 | Sapevo che Maria e Grazia il giorno prima erano partite. |
| 5 | Avranno parlato con Marco. | 6 | Marta e Fabio si saranno incontrati durante quella vacanza in Grecia. |
| 7 | Non appena il professore ebbe finito la lezione, uscì. | 8 | Non appena Maria fu arrivata a casa, andò a letto. |
| 9 | Gianni ha detto che avrebbe preso l'autobus. | 10 | Ieri Mario sarebbe andato al cinema, ma purtroppo era malato. |
| HET "AUSILIARE" "AVERE" WORDT GEBRUIKT BIJ: | |
| 1) | alle transitieve werkwoorden in de actieve vorm (onafhankelijk van of zij wel of geen lijdend voorwerp bij zich hebben) |
| 2) | intransitieve werkwoorden die niet het "ausiliare" "essere" vereisen. |
| Bij samengestelde tijden met het "ausiliare" "avere" is het "participio passato" onverbogen. | |
| HET "AUSILIARE" "ESSERE" WORDT GEBRUIKT BIJ: | |
| 1) | alle wederkerende werkwoorden (alzarsi, lavarsi, incontrarsi, etc.) |
| 2) | werkwoorden in de passieve vorm (kijk hiervoor ook bij de "forma passiva") |
| 3) | intransitieve werkwoorden die een verplaatsing van of naar een bepaalde plaats uitdrukken (partire, tornare, andare, venire, etc.) |
| 4) | onpersoonlijke werkwoorden die bepaalde atmosferische verschijnselen weergeven (piovere, grandinare, nevicare, tuonare, lampeggiare, diluviare, etc.) N.B. Bij deze werkwoorden wordt het gebruik van "avere" ook geaccepteerd. |
| 5) | bepaalde onpersoonlijke werkwoorden, die meestal in de derde persoon enkelvoud worden gebruikt (bisognare, bastare, giovare, etc.) |
| 6) | bepaalde werkwoorden die "rust" uitdrukken (restare, rimanere, stare, etc.) |
| 7) | een aantal andere intransitieve werkwoorden zoals bijvoorbeeld: costare, diventare, essere, morire, nascere, piacere, riuscire, sembrare, sparire, succedere, etc. |
Bij samengestelde tijden met het "ausiliare" "essere" stemt het "participio passato" in geslacht en getal overeen met het onderwerp. Kijk hiervoor bij: "accordo del participio passato".
Kijk voor het gebruik van het "ausiliare" bij de "verbi modali" bij: "i tempi composti con verbi modali".