|
CONDIZIONALE SEMPLICE |
CONDIZIONALE COMPOSTO |
| 1) Voorbeeld: |
|
Con questo caldo preferirei andare in piscina. |
Con quel caldo avrei preferito andare in piscina (ma devo fare le spese). |
|
De condizionale semplice wordt gebruikt voor een handeling die nu of in de toekomst te realiseren is. |
De condizionale composto wordt gebruikt voor een handeling die niet gerealiseerd is in het verleden en niet nu of in de toekomst te realiseren
is. |
| 2) Voorbeeld: |
|
So che questa settimana Sergio andrebbe in vacanza. |
Sapevo che in giugno Sergio sarebbe andato in vacanza. |
|
De condizionale semplice wordt ook gebruikt in bijzinnen voor toekomstige handelingen die volgen op een andere handeling in het verleden. |
De condizionale composto wordt gebruikt in bijzinnen voor een handeling die later plaatsvindt dan een andere handeling in het verleden. |
|
In de hoofdzin staat een werkwoordsvorm met een band met het heden. |
In de hoofdzin staat een werkwoordsvorm zonder band met het heden. Dit wordt "futuro nel passato" genoemd.
|
| Zowel de condizionale semplice als de condizionale composto kunnen worden gebruikt als er sprake is van een "periodo
ipotetico". |