Congiuntivo


Voorbeelden:
1 Mi dispiace che lei non voglia venire con noi.
2 Penso che Maria sia partita.
3 Desideravamo che loro ci raccontassero tutta la verità.
4 Non è certo che Claudia accetti quel lavoro.
5 Non era vero che avessero perso l'autobus.

De "congiuntivo" (aanvoegende wijs) heeft slechts vier tijden:
- de "congiuntivo presente",
- de "congiuntivo imperfetto",
- de "congiuntivo passato" en
- de "congiuntivo trapassato".

De "congiuntivo" is de wijs van het subjectieve. Het geeft een onwerkelijkheid weer. De spreker geeft aan hoe hij de dingen ziet of voelt. Dit kan betrekking hebben op twijfel, een mogelijkheid, een wens of onzekerheid.

De "indicativo" daarentegen is de wijs van de werkelijkheid, van het objectieve.
De "congiuntivo" wordt voornamelijk in bijzinnen gebruikt.
Kijk hiervoor bij "l'uso del congiuntivo nelle frasi subordinate".


Voor informatie over de tijdsverhouding tussen de hoofdzin en de bijzin klik op de "concordanza dei tempi del modo congiuntivo".

De "congiuntivo" komt in bepaalde gevallen voor in de hoofdzin.
Kijk hiervoor bij "l'uso del congiuntivo nelle frasi principali".