| Voorbeelden: | |
| 1 | Sto scrivendo una lettera alla mia amica. |
| 2 | Lorena e Roberto stanno ancora mangiando. |
| 3 | Domani a quest'ora starò parlando con il direttore. |
| 4 | Alberto stava lavorando nel giardino, mentre i suoi figli guardavano la televisione. |
De combinatie "stare + gerundio" geeft een handeling aan die aan de gang is. Dit kan een handeling zijn in het heden (1 en 2), de toekomst (3) of het verleden (4). Het betekent eigenlijk: bezig zijn met iets, iets aan het doen zijn, waardoor deze vorm nóóit gebruikt kan worden voor een "tempo perfetto".