Sostantivi regolari: maschile/femminile e singolare/plurale


Voorbeelden:
1 1. Il ragazzo è biondo.
I ragazzi sono biondi.
2 2. La ragazza è bionda.
Le ragazze sono bionde.
3 3. Questo modello è chiaro.
Questi modelli sono chiari.  
4  4. Questa macchina è bella.
Queste macchine sono belle.
5 5. Il fiore è rosso.   
I fiori sono rossi.   
6  6. La notte è fredda.
Le notti sono fredde.
7 7. Questo esame è facile.
Questi esami sono facili. 
8  8. Questa nave è grande.
Queste navi sono grandi.


 -

Zelfstandige naamwoorden, die op een o eindigen zijn meestal mannelijk en hebben een meervoud op -i.

- Zelfstandige naamwoorden, die op een a eindigen zijn meestal vrouwelijk en hebben een meervoud op -e.

 -

Zelfstandige naamwoorden, die op een e eindigen kunnen zowel mannelijk als vrouwelijk zijn en hebben een meervoud op -i.


Wil je informatie over het verband tussen zelfstandige naamwoorden en voorbepalingen, klik dan hieronder op de voorbepaling van je keuze:

1 articolo indeterminativo (onbepaald lidwoord)
2 articolo determinativo (bepaald lidwoord)
3 dimostrativo "quello" (aanwijzend voornaamwoord "die/dat")
4 dimostrativo "questo" (aanwijzend voornaamwoord "deze/dit")
5 possessivo (bezittelijk voornaamwoord)