| Voorbeelden: | |
| 1 | Questi fiori mi sono stati regalati da Carlo per il mio compleanno. |
| 2 | Questa notte non ho dormito bene. |
| 3 | Queste parole non mi convincono per niente. |
| 4 | Quei bambini che giocano fuori, sono i bambini del signor Rossi. |
| 5 | Quel giorno nel 1989 ho fatto conoscenza con Roberto, mio marito. |
| 6 | Quelle parole non mi convicevano per niente. |
"Questo" geeft nabijheid aan vanuit het oogpunt van de spreker. Het kan gaan om nabijheid in de ruimte, in de tijd of in een gesprek (in de zin van dat de spreker verwijst naar zaken die in het gesprek aan de orde zijn).
"Quello" geeft daarentegen afstand aan vanuit het oogpunt van zowel de spreker als de toehoorder. Ook hier kan het gaan om verschillende soorten afstand: in de ruimte, in de tijd of in een gesprek (in de zin van dat de spreker verwijst naar zaken die reeds eerder in het gesprek aan bod zijn gekomen).