Pronomi soggetto


Voorbeelden:
1 Vado in centro.
2 Lei ha accettato, lui invece deve pensarci.
3 "Chi paga oggi?"   "Oggi pago io."
4 "Chi ha visto il nuovo film di Moretti?" "Io!"
5 Venite anche voi?
6 Non viene neanche/nemmeno/neppure lui.
7 Tu stesso dici che ho ragione.
8 E' meglio che tu dica la verità.
9 Partiti noi, loro si troveranno in difficoltà.

De persoonlijke voornaamwoorden in de functie van onderwerp "io", "tu", "lui", etc. worden gewoonlijk weggelaten (voorbeeld 1): de uitgangen geven in dit geval al het onderwerp aan.

De persoonlijke voornaamwoorden worden uitsluitend gebruikt in de volgende gevallen:
- om nadruk te geven (voorbeelden 2 en 3);
- als het persoonlijk voornaamwoord zonder werkwoord wordt gebruikt (voorbeeld 4);
- na het gebruik van "anche" en "pure" (voorbeeld 5);
- na het gebruik van "neanche", "nemmeno" en "neppure" (voorbeeld 6);
- vóór het gebruik van "stesso/stessa/stessi/stesse" (voorbeeld 7);
- om dubbelzinnigheid te voorkomen bij het gebruik van de "congiuntivo" in de bijzin (voorbeeld 8) als het onderwerp uit de context niet duidelijk is;
- bij het gebruik van een voltooid deelwoord als "forma implicita" indien het onderwerp van de hoofdzin niet overeen komt met het onderwerp van de bijzin (voorbeeld 9).

In voorbeeld 3 is er sprake van een sterke nadruk, daarom komt het persoonlijk voornaamwoord "io" achter het werkwoord te staan.

Voor een overzicht van de vormen van de persoonlijke voornaamwoorden in de functie van onderwerp klik op de "forme del pronome soggetto".
Voor informatie over de persoonsvormen van het werkwoord klik op "la persona-soggetto e il numero del verbo".