Preposizioni di tempo: punto nel tempo


Voorbeelden:
1 A Natale vado in Italia.
2 A venti anni uno può viaggiare più spesso.
3 Sono tornato a mezzanotte.
4 L'esame di grammatica è all'inizio di marzo.
5 Ho un appuntamento alle dieci.
6 Alla fine del mese vado in vacanza.
7 Ultimamente non riesco a dormire di notte.
8 Vado spesso a sciare d'inverno.
9 Non sono mai libero di lunedì.
10 Non ci sono lezioni in estate.
11 L'esame di storia è in gennaio.
12 Ho cominciato a studiare nel 1997.
13 Ho visto Gianni nell'ottobre dello scorso anno.
Om een tijdstip aan te geven worden de preposities "a" (eventueel met lidwoord), "di" en "in" (eventueel met lidwoord) gebruikt. Bij deze categorie is er slechts in twee gevallen een "regel", die aangeeft welke prepositie je dient te gebruiken:
1 Bij jaargetijden kan zowel de prepositie "di" als "in" (eventueel met lidwoord) worden gebruikt. Bij "inverno" wordt echter de voorkeur aan "di" boven "in" gegeven om redenen van welluidendheid.
2 Bij de dagen van de week wordt altijd de prepositie "di" gebruikt.

In alle andere gevallen zijn er helaas geen vaste regels te geven met betrekking tot de keuze van de prepositie: per type tijdstip moet je leren welke prepositie erbij hoort.

Met betrekking tot het gebruik van het lidwoord kan het volgende gezegd worden:
1 Bij uren wordt altijd het lidwoord (vrouwelijk enkelvoud of meervoud) gebruikt (zie voorbeeld 5)
2 De verklaring voor het gebruik van het lidwoord bij de voorbeelden 12 en 13 ligt in het feit dat het hier gaat om een nader gespecificeerd jaar (1997) en een nader gespecificeerde maand (de maand oktober van het afgelopen jaar).