Preposizioni di modo/maniera: mezzi di trasporto


Voorbeelden:
1 Questa volta viaggiamo in aereo.
2 Questa volta ho viaggiato con l'aereo dell'Alitalia.
3 All'università vengo in autobus.
4 All'università vengo con l'autobus giallo.
5 In centro vado in bicicletta.
6 In centro vado con la tua bicicletta.
Bij niet nader gespecificeerde vervoersmiddelen wordt de prepositie "in" (zonder lidwoord) gebruikt. Bij vervoersmiddelen die wel nader gespecificeerd zijn, wordt "con" + lidwoord gebruikt.
"Con" + lidwoord kan echter ook gebruikt worden voor een niet nader gespecificeerd vervoersmiddel. "In" + lidwoord kan echter nooit worden gebruikt om een niet nader gespecificeerd vervoersmiddel aan te geven:
Voorbeelden:
7 Questa volta viaggiamo con l'aereo.
8 * In centro vado nella bicicletta.