Infiniti senza preposizione


Voorbeelden:
1 Voglio studiare tranquillamente, ma non è possibile con questo rumore.
2 Posso fare una domanda?
3 Devo prendere queste medicine ogni giorno.
4 Sai rispondere a questa domanda, Michele?
5 Questa storia triste mi fa piangere.
6 Ogni mattina sento cantare gli uccelli.
7 Vedo arrivare il treno.
8 Ragazzi, lasciateci dormire!
9 Preferisco andare in vacanza in Italia.
10 Intendiamo ritornare in Olanda domani mattina.
11 Promettere è mantenere.
12 E' meglio andare in bicicletta.

In de volgende gevallen gaat de infinitief niet vergezeld van een prepositie:
1) Als de infinitief volgt op een modaal hulpwerkwoord.
2) Als de infinitief volgt op "fare" of "lasciare"
3) Als de infinitief volgt op een werkwoord dat een zintuigelijke ervaring uitdrukt ("sentire", "vedere", "udire", etc.)
4) Als de infinitief volgt op een werkwoord dat een wil, wens, of gevoel uitdrukt ("preferire", "intendere", "desiderare", etc.)
5) Als de infinitief het onderwerp van de zin is.