Imperativo di andare; dare; fare; stare e dire



ANDARE DARE FARE STARE DIRE
Persoon
(io) ----- ----- ----- ----- -----
(tu) va'/vai da'/dai fa'/fai sta'/stai di'
(lui/lei) vada dia faccia stia dica
(noi) andiamo diamo  facciamo  stiamo diciamo
(voi) andate date  fate state dite
(loro) vadano diano facciano stiano dicano

Voor "noi" en "voi", "l'imperativo diretto", zijn de vormen van de "imperativo" gelijk aan die van de "indicativo presente".

De beleefdheidsvormen "lei" en "loro", "l'imperativo indiretto", stammen resp. van het enkelvoud en de 3e persoon meervoud van de "congiuntivo presente".

Bij "tu", "l'imperativo diretto", is de geëlideerde vorm de gebruikelijke.  Echter ook de gewone vormen van de "indicativo presente" worden geaccepteerd, maar bij "dire" is slechts één mogelijkheid.



Daarnaast worden ook, maar minder frequent, de volgende vormen gebruikt:

andare:
va
dare:
da / dà
fare:
fa / fà
stare:
sta / stà
dire: