| Voorbeelden: | |
| 1 | Devo andare in banca. |
| 2 | Sono andato a teatro. |
| 3 | Vado tutti i giorni in ufficio in bicicletta. |
| 4 | Ieri sono stato a letto tutto il giorno. |
| 5 | Ieri ho cenato in pizzeria. |
| 6 | Torno a casa. |
| 7 | Ritorno in montagna fra una settimana. |
| Voorbeelden: | |
| 8 | Andiamo al cinema. |
| 9 | Ci incontriamo nel cinema. |
| 10 | Se ti telefono stasera, sei a casa? |
| 11 | Comincia a piovere, entriamo in casa |
| 12 | C'è stato un incidente alla biblioteca. |
| 13 | C'è stato un incidente in biblioteca. |
In deze gevallen geeft de prepositie "a" steeds de algemene betekenis van de plaatsbepaling aan, terwijl de prepositie "in" moet worden geïnterpreteerd als "binnen de muren van het gebouw". Zo wordt in voorbeeld 10) met "a casa" het algemene begrip "thuis" bedoeld: de persoon in kwestie hoeft zich niet letterlijk "in" het huis te bevinden, maar kan bijvoorbeeld ook in de tuin zijn. "In casa" uit voorbeeld 11) moet echter wel geïnterpreteerd worden als "in huis" en zou een zin kunnen zijn die wordt gezegd door een persoon die zich bijvoorbeeld in de tuin bevindt.
Let erop dat dit verschil in betekenis tussen "a" en "in" geen vaste regel is, maar slechts in een aantal gevallen op gaat!
In sommige gevallen is de betekenisverandering niet alleen terug te voeren op het gebruik van een ander voorzetsel, maar ook op het plotselinge gebruik van het lidwoord of het wegvallen daarvan (zie voorbeelden 12 en 13). Klik voor meer informatie over het gebruik van het lidwoord "l'uso della preposizione semplice o articolata" aan.