I possessivi e i nomi di famiglia


Voorbeelden:
1. Vorrei presentarvi mio fratello. 2. Vorrei presentarvi i miei fratelli
3. Questa è sua sorella. 4. Questa è la sua sorella minore.
5. Questa è nostra nipote. 6. Questa è la nostra nipotina.
7. Quell'uomo è suo padre. 8. Quell'uomo è il suo papà.
9. Vado da mio zio. 10. Vado dal mio zio che abita a Siena.
11. * La mia sorella, che è sempre molto gentile, mi aiuta a fare i compiti. 12. *Ecco loro madre.
13. Ecco la loro madre.

Bij familienamen in het enkelvoud wordt het lidwoord weggelaten.

Bij familienamen wordt het lidwoord wel gebruikt wanneer:

1) de familienaam in het meervoud staat (zie voorbeeld 2);
2) de familienaam vergezeld gaat van een bijvoeglijk naamwoord (zie voorbeeld 4);
3) de familienaam een achtervoegsel (b.v. -ino of -one) heeft (zie voorbeeld 6);
4) de familienaam een bepaald gevoel van affectie weergeeft (zie voorbeeld 8);
5) de familienaam vergezeld gaat van een beperkende betrekkelijke bijzin (zie voorbeeld 10);
6) het "possessivo" "loro" is: dus zowel bij familienamen in het enkelvoud als bij familienamen in het meervoud wordt bij "loro" altijd het lidwoord gebruikt! (zie voorbeeld 13)