Comparativo di uguaglianza


Voorbeelden:
1 Luigi è grande quanto Sergio.
2 In Italia il mese di luglio è caldo come agosto.
3 Questo castello è tanto/così antico quanto il castello che abbiamo visitato ieri.
4 In questi lavori Dario è tanto rapido come Ugo.
5 L'Olanda è grande tanto quanto il Piemonte e la Lombardia.
6  Questa automobile è tanto bella quanto comoda.
7 Roberta è ambiziosa come/quanto te.
8 Marina ha tanta pazienza quanta ne abbiamo noi.
9 La ditta di Giovanni ha tanti problemi finanziari quanti ne ha la nostra.
10 Vincenzo guadagna quanto Elio.

De comparatief van gelijkheid wordt gevormd door de plaatsing van "quanto" of "come" vóór het tweede element van de vergelijking. Het woord "tanto" of eventueel "così" kan weggelaten worden.

Als het tweede element van de vergelijking een persoonlijk voornaamwoord is (voorbeeld 7), wordt de vorm van de accusatief van de "pronomi liberi" gebruikt. Dit in tegenstelling met het Nederlands waar ook het tweede element van de vergelijking in de onderwerpsvorm (nominatief) behoort te staan.

In voorbeelden 8 en 9 richten "tanto" en "quanto" zich naar het zelfstandig naamwoord. In de andere voorbeelden zijn "tanto" en "quanto" bijwoorden.